Doelstellingen

Deze paragraaf schrijft uit wat je moet kennen en kunnen. Een schraplijstje…

Computer

  1. Opstarten, startmenu en snelkoppelingen, cursor, documenten vinden en openen/wijzigen/opslaan, afdrukken.
  2. Tekstverwerking-, rekenblad- en presentatieprogramma op basisniveau.
  3. Je werkt op het schoolnetwerk: binnen de campus en op afstand.
  4. Je bewaart documenten en beheert ze via verkenner.
  5. Je kan bestanden aanmaken, verplaatsen, kopiëren, hernoemen, verwijderen.
  6. Je opent programma's in vensters en kan deze minimaliseren, maximaliseren en schikken.
  7. Je herkent en wisselt tussen softwareversies.
  8. Je maakt pdf's.
  9. Je herkent documenten aan hun extensie.
  10. Je hanteert de clowd of een usb-stick voor het bewaren en uitwisselen van documenten.

Word

  1. Je voegt tekst in en hanteert de opmaak.
  2. Je drukt af en je weet wat een sjabloon is.
  3. Je gebruikt koppen en opmaakprofielen, pagina-eindes, voetteksten, noten…
  4. Je werkt met zoeken en vervangen, spelling- en grammaticacontrole.
  5. Je voegt kolommen, tabellen en tekstvakken in en maakt die op.
  6. Je maakt gebruikt opsommingstekens en nummering.
  7. Je maakt een automatische inhoudstafel.
  8. Je hanteert de functies controleren, wijzigingen bijhouden.
  9. Je verwijzingssysteem (noten) is correct.
  10. Je maakt geen gebruik van "schrijfmachine-gewoontes" (b.v. enteren voor nieuwe pagina; correct is combinatie toets ctrl+enter).

PowerPoint

  1. Je maakt een voorstelling.
  2. Je gebruikt verschillende dia-opmaak.
  3. Je voert tekst in.
  4. Je voert figuren en geluid.
  5. Je hanteert dia-overgangen
  6. Je gebruikt animaties.
  7. Je drukt een voorstelling af (dia's, handouts, overzicht).
  8. Je stelt je voorstelling in voor handmatig afspelen.
  9. Je laat de voorstelling automatisch afspelen.
  10. Je presentatie volgt de principes van de esthetica.

Excel

  1. Je voert gegevens en opmerkingen in.
  2. Je sorteert en filtert ze.
  3. Je voegt cellen, kolommen, rijen en werkbladen toe, je verwijdert en wist ze.
  4. Je selecteert niet aaneengesloten gegevens.
  5. Je past relatieve, gemengde en absolute adressering toe.
  6. Je maakt basisformules en je voegt ze in (som, gemiddelde, Min, Max…).
  7. Je voegt datum- en tijdfuncties in (nu, vandaag, rekenen met tijd…).
  8. Je hanteert de functie "aantal.als".
  9. Je genereert een tabel, verbetert de opmaak en berekent procenten.
  10. Je maakt een grafiek en je maakt ze op.

Wikikennis & Toledo

  1. Je kent de mogelijkheden van een wiki en start er een.
  2. Je plaatst een (hyper)tekstbericht en een inhoudstafel.
  3. Je voegt een link, video en andere documenten (pdf, ppt…) toe.
  4. Je maakt een logische structuur.
  5. Je communiceert via Facebookgroepen.
  6. Je vindt Toledo en meld je vlot aan. Kent je login.
  7. Je raadpleegt de toegewezen vakken, de communities en hun onderdelen.
  8. Je downloadt een document van Toledo.
  9. Je verstuurt e-mail (met bijlage).
  10. Je hanteert bestandsuitwisseling en discussieforum.

Informatie zoeken en evalueren

  1. In het bijzonder hanteer je Limo.
  2. Je vindt naslagwerken en gebruikt deze (Juriwel, Soka,…).
  3. Je evalueert een website.
  4. Je noemt in functie van een onderwerp relevante auteurs, organisaties en sites.
  5. Je refereert en maakt een bibliografie volgens één notatiesysteem.
  6. Je komt geregeld in de campusmediatheek en kent de indeling ervan.
  7. Je vindt je bronnen terug: teksten, kranten, boeken, film, …
  8. Je definieert en/of illustreert de begrippen en personen in de teksten over cyberspace, over de digitale kloof en Web 2.0.
  9. Je kent de voor en nadelen van de opgesomde web 2.0 tools.
  10. Je kent de begrippen en definities in de begrippenlijst.