Hoofdstuk 2. Primaire informatie

Na het studeren van dit hoofdstuk 2. ben je in staat om het internet in een breder kader te plaatsen dan de pure toepassing op het vlak van de infoverzameling; 2 kan je informatie kritisch evalueren; 3. kan je een browser bedienen en de functies benoemen en gebruiken; 4. kan je websites opsporen; 5. ken je de begrippen url, hyperlink, folio, voorwerk, nawerk, de diverse indices, hyper, hypertekst, topdomein, landcode, fulltext, lineair, Franse pagine en de juridische pagina.

Klik hier voor de rondleiding in de Katho-bibliotheek.

1. Internet

Ben Tiggelaar leert dat we internet vanuit vijf perspectieven kunnen benaderen:

  1. als een technische infrastructuur van kabels, servers, pc’s…;
  2. als een organisatieprincipe met protocollen als http, wap…;
  3. als een soort gebruiksactiviteit [sociaal, economisch, politiek, cultureel…]
  4. als een toepassing [e-mail, nieuwsgroepen, www…] en
  5. of als dienstverlening [informatie, formulieren,…].

Sadan bekijkt toepassingen en dienstverlening op het vlak van de informatieverzameling. Internet is het omvangrijkste informatiekanaal, maar niet het meest overzichtelijke noch het meest toegankelijke zoals men soms laat uitschijnen.

1.1 De browser

Het geheel van publicaties met originele gegevens wordt primaire literatuur genoemd [verslagen, kranten, tijdschriften, boeken]. Op internet is primaire info te definiëren als het ongeordende geheel van websites. De logische opbouw van een url [www.naamorganisatie.landcode] laat toe om personen of organisaties te vinden. Websites bieden allerhande documenten aan.
Computers communiceren via de “tcp / ip” taal [transmission control protocol / internet protocol] die gegevens opdeelt en transporteert. Opdat de info zou terechtkomen, heeft elke pc een adres. Deze adressen zijn te vervangen door een domeinnaam, zoals bijvoorbeeld www.vives.be.
Wie op internet wil, heeft software nodig: een browser. Net zoals Word een hulpmiddel is bij het maken van teksten, helpt een browser je bij internetacties. Met de browser ‘navigeer’ je, bekijk je en blader je door webpagina’s. De werkbalk bevat besturingselementen.

  • Adresbalk: Noteer hier het adres. Het pijltje toont bezochte sites
  • Vorige: Blader naar eerdere locaties
  • Volgende: Blader naar volgende locaties
  • Start: [Home] bevat een gekozen site als vertrekpunt
  • Favorieten: [Bookmarks] koppelt favoriete sites
  • Stop: Breekt laden af [gebruik bij verkeerd adres];
  • Vernieuwen: Helpt opnieuw inladen
  • Geschiedenis: Waar was je gisteren, vorige week…
  • Zoeken: Een zoekrobot
  • Koppelingen: Productinformatie en koppelingen

1.2 Websites

Als je een site van een organisatie zoekt, gis dan de url. Een adres ziet er zo uit http://www.organisatie.topdomein [topdomein of landcode]. Het voorzetsel http:// tik je niet. Dit hyper text transfer protocol duidt op de mogelijkheid naar een andere locatie te navigeren. Andere codes die gebruikt worden zijn www [world wide web]; de organisatie [de organisatie of een afkorting] en het topdomein of de landcode. Er zijn organisaties die alle logische namen gebruiken, anderen houden het bij één. Wil je weten of er plaatselijke versies van de site bestaan, vervang dan .com door .be. De pagina past zich soms aan. Landcodes bestaan uit twee karakers, topdomeinen uit drie karakters. Bij de universiteiten plaats je voor de landcode ac.: www.kuleuven.ac.be, www.kulak.ac.be, www.vub.ac.be, www.ucl.ac.be…
Let op voor informatie op Nederlandse sites! .nl is – zeker wat het sociaal-agogisch werk betreft - niet relevant voor Vlaanderen! Het startscherm van Google.be laat je de keuze tussen uitsluitend zoeken in Belgische pagina’s en uitsluitend zoeken in het Nederlands. Uiteraard krijg je bij de eerste categorie Franstalige en Duitstalige teksten, bij de tweede categorie blijf je niet uitsluitend in Vlaanderen, maar kom je in Nederland en de Antillen terecht. In beide gevallen ben je kritisch.
Na de eerste slash komen de namen van de folders, mappen of directory’s. Als een link zoals www.cass.be/wet/wetco.htm niet [meer] werkt, probeer dan www.cass.be. Verder kan je de naam van een deelsite raden: wat heeft de overheid te vertellen over holebi? Probeer www.vlaanderen.be/holebi of www.vlaanderen.be/infolijn… Als je de gewenste informatie niet kan raden, surf je. Surfen is ongestructureerd doorklikken via hyperlinken.

1.3 Sites lezen

Het mentaal model van een website ziet er anders uit dan dat van een papieren uitgave. De site lijkt onbegrensd, onafgerond door beginpunten, middens en eindes. Je komt er niet achter of je de site volledig hebt doorgenomen [laat staan de interessante sites rond je onderwerp].

Hoe lees je een website? Lees van links naar rechts en van boven naar onder. Probeer hoofd- en bijzaken te scheiden. En bedenk, sommige documenten in folio zijn ook onleesbaar. Websites bevatten doorgaans zoekinstrumenten zoals een inhoud [tabbladen boven en in de marge], een index, een sitemap [opbouw van de site], een e-archief, een e-bibliotheek of een e-catalogus en een fulltext zoeker.

2. Tekstdocumenten

2.1 Fulltext

Primaire publicaties worden vaak fulltext op het net aangeboden. Als je over trefwoorden beschikt, is het mogelijk specifieke passages te vinden met een kleine tijdsinvestering. Hoe specifieker, hoe recenter, hoe lokaler je zoektermen, hoe meer je vindt.

Denk na bij het formuleren van je zoekwoorden.

  • Fulltext zoeken houdt geen rekening met de inhoud van het gezochte woord of document.
  • Fulltext zoeken levert geen afkortingen op [Clb levert geen Centrum voor leerlingenbegeleiding]. Fulltext zoeken levert geen bredere termen of smallere termen [zoeken naar sociaal werk levert geen personeelswerk].
  • Fulltext zoeken houdt geen rekening met homofonen [gelijkklinkend maar verschillend in betekenis: kan levert het werkwoord maar ook het vaatwerk].
  • Fulltext zoeken houdt geen rekening met spellingsvarianten, spellingsfouten, synoniemen [suikerziekte of diabetes], verbuigings- en vervoegingsvarianten.

Kortom, bij fulltext zoeken is de precisie is laag en de ruis hoog. Om te functioneren bevat een degelijk profiel termen die de or-operator verbindt en is truncatie of maskering wenselijk.

2.2 Pdf

De meest verspreide standaard voor de elektronische documentendistributie is Acrobat reader [pdf-bestanden]. De voordelen zijn divers: Pdf is platform- [Windows-, Linux- en Mac-omgevingen] en printeronafhankelijk [de afdruk is bij alle printers gelijk], ideaal om documenten door te geven aan drukkerijen [prepress] en het formaat is kleiner dan het origineel.
Pdf’s zijn te beveiligen om het auteursrecht te beschermen. In een niet-beveiligde Pdf selecteer je tekst en afbeeldingen. Daarna plak je ze in een andere toepassing. Verder kan je tekstaanpassingen doen [Touchup text tool] als de Pdf niet beveiligd is. Wil je een Pdf lezen, dien je over Acrobat reader te beschikken. Om Pdf-documenten te maken heb je Acrobat nodig.

2.3 Tekst in folio: snellezen

Omdat we niet alles kunnen lezen, ontwikkel je het best een strategie om snel tot de essentie te komen. Papieren tekstdocumenten gebruiken strategieën om zichzelf toegankelijk te maken. Als je die kent, heb je als lezer je verschillende mogelijkheden om literatuur snel door te nemen. Je kan zoeken via het voorwerk, de kern of het nawerk van een publicatie. Wie de kern van het boek zoekt doet dit door te bladeren en diagonaal te lezen. Lees de hoofdstukken en paragraaftitels na, bekijk de schema’s en organogrammen én vergeet vooral de noten niet.

1. VOORWERK

Het voorwerk bestaat uit een zogenaamde Franse pagina [met alleen de titel], de titelpagina [met titel, auteur, uitgever en jaar], de juridische pagina [copyright en aansprakelijkheid], het dankwoord, het woord vooraf, de inleiding, een inhoudsopgave en allerhande lijsten [figuren, afkortingen…]. De inhoud van de inhoudsopgave is minder gedetailleerd dan een register of een index die je achteraan in het werk vindt.
Wie zoekt via het voorwerk doet er goed aan om de inleiding of het opzet van het werk door te nemen. Hierin maakt de auteur zijn plan, de interne logica van het werk duidelijk. Scroll niet bij elektronische inhoudstafels. Elektronische inhoudstafels laten doorklikken toe. Wie een verhandeling schrijft, plaatst de inhoudsopgave vooraan. Dit is handig voor de lezer als het werk af is, en voor de schrijver tijdens het schrijfproces.

2. NAWERK

Als je via het nawerk zoekt, volg en ken je het schema van de auteur niet. Het nawerk inspireert via het nawoord [suggesties voor verder onderzoek], een verklarende woordenlijst, een bibliografie, de bijlagen maar vooral via een index. Een register of index is een gedetailleerde reorganisatie van het boek dat je gebruikt om een trefwoord te zoeken. Wij kiezen voor het woord index. Een index laat zich verbuigen is tot indexeren en indexeerder. Een register niet. Letterlijk betekent ‘index’ een wijsvinger die de aandacht vestigt. Een index is handig bij boeken die zelden van voor naar achter gelezen worden: algemene hand- en zakboekjes, software, medische handleidingen… Indices zijn niet altijd degelijk. Het maken is geen sinecure. De lezer zoekt antwoorden op zelf gestelde vragen en de indexeerder kan de formuleringen die jij kiest, niet beïnvloeden. De indexeerder leeft zich in en gaat na welke termen hij zal gebruiken: synoniemen of verwante termen. Bijvoorbeeld: de index van een werk over wetenschappelijk onderzoek neemt de term ‘significantie’ op. In dit geval is het onnodig het alternatief ‘betekenisvol’ op te nemen. De lezer wordt verondersteld specialist te zijn. Andersom nemen registers van boeken voor een brede doelgroep geen specialistische termen op. Er bestaan verschillende indices.

A. Klassieke indices

  • Algemene index: alle onderwerpen uit het boek zonder onderscheid;
  • Zakenindex: alle onderwerpen met uitzondering van de persoons- en auteursnamen. Die worden opgenomen in het namen of persoonsregister;
  • Namenindex: ook persoonsregister. Neemt alle eigennamen op en is relevant bij het zoeken naar auteurs, biografieën, romans en geschiedenis;
  • Auteursindex: als een groot aantal auteurs aan de publicatie participeert. Niet alle personen in het werk worden opgenomen, enkel de auteurs;
  • Plaatsenindex: alle locaties worden opgenomen als in een atlas;
  • Illustratie-index: afbeeldingen, kaarten, schema’s, grafieken, tabellen.

B. Bijzondere indices

  • Index van begin- of slotzinnen, nuttig bij dichtbundels of citatenboeken;
  • Beschrijvende index: bij de verwijstermen wordt een korte uitleg gegeven;
  • Tijdschrift en dagbladindices;
  • Romanindices zijn uitzonderlijk. Zo kennen we die van TOLKIEN J.R.R. The Return of the King, [niet in Nederlandse versie] en TUCHMAN B. De waanzinnige 14de eeuw;
  • Indices voor organisaties en particulieren kennen meestal een onderwerpsindeling [papieren documenten hebben één bergplaats, het trefwoord is cruciaal].
  • Een concordantieregister is een super index met alle woorden uit een boek. Dit is strikt genomen geen index omdat het zonder tekstanalyse opgemaakt is en dus niet inspeelt op je vraag. De verwijzingen leiden vaak naar niet relevante bladzijdes.

C. Elektronische indices

Probeer de zoekfunctie. Dit maakt het mogelijk fragmenten te vinden met een kleine tijdsinvestering. Bovendien is dit een extra zoekstrategie. In combinatie met de fulltext optie ontsluit de zoekwijze gegevens die je mist als je enkel via titels, tussentitels of syntheses zoekt.

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License