E-cultuur

Je kan de PowerPointpresentatie die bij deze les hoort, downloaden via SlideShare.

Welkom in een nieuwe wereld! 'Who am i?' Het is nog niet zo lang geleden dat één van dé maatschappelijke problemen het gebrek aan informatie was. Voor de komst van de telegraaf is informatietransport verbonden met de fysieke snelheid van de mens. Handlezers, wetenschappers en spionnen dienden één doel: het winnen van info over een specifiek onderwerp.

1891_Telegraph_Lines.jpg

Klik op deze kaart uit 1891 en bekijk de internationale telegrafieverbindingen. Merk op hoe men het binnenland van Noord en Zuid Amerika penetreert, terwijl de verbindingen rond Afrika tot stand komen. Is dit een metafoor voor de huidige internetpenetratie van het zwarte continent?
De computer gaat een stap verder dan de telegraaf en koppelt het genereren van informatie los van de menselijke interventie. Informatie verschaffen is niet langer een school-, overheids of bibliotheekmonopolie.1 De docent, de topambtenaar of de professor verliest zijn greep op het 'leerproduct': de instructie en de pure kennisoverdracht. Het leerproces komt meer in de aandacht: 'hoe en waarom leer je?' zijn nieuwe vragen die zich naast de 'wat en wanneer leer je?' vraag plaatsen. En, wie leert? Zowel docent als student. [[/footnote]] Internet doorbrak het exclusieve voorrecht van het informatie aanbod in de scholen en de universiteiten en op alle vlakken is het voelbaar. “Onder invloed van de informatie- en communicatietechnologie verandert de manier waarop we cultuur maken, verspreiden, bewaren en eraan participeren. Het is een verandering waarvan de impact wel eens vergeleken wordt met de uitvinding van de boekdrukkunst. Die was niet alleen van beslissende betekenis voor de verspreiding en toegankelijkheid van kennis en cultuur, maar ook voor de ontwikkeling ervan.” Zo beginnen Debbie Esmans en Dirk De Wit hun boek ‘E-cultuur’ dat de bijnaam 'Het blauwe boekje' kreeg. De ict-impact kondigt een paradigmawissel aan.2 Kenmerkend is dat de nieuwe technologie eerst bestaande werkvormen efficiënter maakt. In een volgende fase wordt de vernieuwing zelf duidelijk. De eerste films leken theatervertoningen, filmzalen leken op theaters. Later experimenteerde men met de specifieke mogelijkheden van het medium, bouwde men er ruimtes voor, een eigen distributiesysteem en een economisch model.

1. Cyberspace

Internet kent een geschiedenis van vijftig jaar. Klik op het videovenster om een snel overzicht te krijgen van de internetgeschiedenis.

In 1984 lanceert William Gibson met zijn eerste deel van de trilogie Neuromancer [Zenumagiër] het begrip cyberspace. Het citaat is intussen wereldberoemd.

A consensual hallucination experienced daily by billions of legitimate operators, in every nation, by children being taught mathematical concepts… A graphic representation of data abstracted from the banks of every computer in the human system. Unthinkable complexity. Lines of light ranged in the non space of the mind, clusters and constellations of data. Like city lights, receding….” “What’s that?” Molly asked, as he flipped the channel selector.”3

1.1 Cyberspace, een definitie

Voor 1984 bestaat cyberspace enkel in Gibsons geest. De beeldspraak komt enkele jaren na de personal computer. Soms wordt cyberspace gedefinieerd als de locatie waar men zich bevindt bij een telefoongesprek, maar de metafoor slaat niet aan. Gibsons beschrijving benadert niet alleen internet maar digitale informatie in het algemeen. Cyberspace is een abstracte decentrale ruimte waarin tekst, beeld en geluid onafhankelijk zijn van een fysische drager. Als ruimtelijk concept bestaat cyberspace aanvankelijk alleen in de verbeelding tot internet zich aandient als reflectiekader over computernetwerken. Het probleem is echter dat mensen zich niet thuis voelen in de wereld van éénen en nullen in een elektronisch circuit. Technisch gezien is cyberspace niets meer dan een informatiestroom. De omzetting naar een beeldscherm maakt cyberspace bewoonbaar. De interface evolueerde van eendimensionale dos-commando’s over 2D icoontjes tot een een virtual reality met drie dimensies. Handschoenen met elektroden en brillen prikkelen je zintuigen en dompelen je onder in een digitale wereld waar je vrij navigeert en interacteert. Een digitale helm sluit je zintuigen van de buitenwereld af zodat het lijkt alsof je aanwezig bent in een kunstmatige wereld, alsof je tussen data staat.

1.2 Ruimtelijke metaforen

Met niets in de werkelijkheid hebben we direct contact: het onbekende wordt altijd gekend via wat al bekend is. Kennen is niets anders dan het inruilen van oude metaforen voor nieuwe.”
Nietzsche

Ruimtelijke metaforen maken ongekende techniek grijp- en begrijpbaar, alsof het zou gaan om processen die zich in de ruimte afspelen. Communicatie is enkel mogelijk als de werkelijkheid voor iedereen toegankelijk is. En omdat de nieuwe taal onbegrijpbaar is, zoeken we een metaforische equivalent. Bakzeil halen, overstag gaan, recht door zee, het roer recht houden zijn metaforen uit het tijdperk van de ontdekkingsreizen. Het spoor bijster raken, op het juiste spoor zetten, stoom afblazen, een uitlaatklep zijn,… zijn dateren uit het begin van de industriële revolutie.
Vice-president Al Gore introduceerde eind 1993 in een speeg het begrip “elektronische snelweg”. Het beeld van de informationhighway verwijst naar Gores vader die in de jaren vijftig de echte highways aanlegde. Die aanleg in de zilveren jaren vijftig en de gouden jaren zestig gebruikte Gore om een gelijkaardige economische heropleving te suggereren. Sindsdien staat het internetlexicon bol van ruimtelijke concepten: het web [een kluwen van verbindingen als een kaart van een middeleeuwse stad], de matrixruimte [vergelijk met een rationeel stadsplan zoals New York], een net [het uitspansel, de metropool], domeinen, sites, homes, rooms… verbonden door snelle en trage digitale wegen. En de toegangspoorten, dat zijn de servers. Amerikaanse pioniers spreken over de elektronische grens, een te ontdekken werelddeel, een Wilde Westen met eigen wetten.4

Manuel Castells heeft het over De melkweg van het internet, Maurice De Hond over De vijfde dimensie en domeinnamen verwijzen naar natiestaten.5
In China, waar censuur hoogtij viert, spreekt men van The Great Firewall. http.google.cn werkt hiertoe samen met de Chinese autoriteiten om informatie te filteren, tot tegenzin van mensenrechtenorganisaties zoals Reporters Sans Frontières. Als een zoekrobot zo nauw met de overheid samenwerkt, is de vrijheid van meningsuiting ver te zoeken. Jos De Mul, hoogleraar wijsgerige antropologie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam spreekt van een cyberodyssee. Hoewel de cyberodyssee het laatste decennium een andere route volgde dan verwacht - dat is het noodlot van elke odyssee - is de impact ervan niet minder groot, leren we bij De Mul. Integendeel.6 De penetratie van het e-gebeuren en het alledaagse leven maakt de weigering of de negatie ervan onmogelijk.
In de cyberwereld worden recordbedragen uitgegeven aan domeinnamen en sites krijgen de status van schaarse bouwgrond. Cyberarchitecten laten zich royaal financieren om de bouwterreinen van domeinen, sites, homes [een internest?] en rooms te voorzien. De werf kan je niet betreden, vermits “under construction.” Wie zich op het web begeeft kan dit in verschillende hoedanigheden. Als een toerist die voor de hand liggende locaties bezoekt, met aandacht voor gevels en flaneert langs vitrines, hier en daar een winkel binnenloopt. Het kan als speurder of kraker, als detective of politieagent die al dan niet rechtmatig in huizen dringt. In dit diepe of onzichtbare web ontdekt de speurder de internetkelders en –magazijnen die databases heten of kistjes vol met persoonlijke documenten: liefdesbrieven, foto’s mails en gespreksfragmenten uit het verleden.7
Recentelijk vergeleken Angelo Vermeulen en Antoon Van den Braembussche het vertoeven in de netwerkruimte met het flaneren van Charles Baudelaire. Stadsbeleving, doelloos rondslenteren, het onverwachte en de verrassing staan centraal om “zichzelf op te lossen en te verstrooien, om op te gaan in de universele activiteit die alles opneemt. (…) Navigatie en modulatie van de zintuigen."8
Internet wordt midden de jaren negentig een aanwijsbaar grondgebied. In de ervaringswereld is internet met nog een andere metafoor verbonden: die van de universele bibliotheek. In de begindagen vergelijkt men het zoeken op internet als zoeken in de grootste bibliotheek ter wereld waar het licht uit is en de boeken door elkaar liggen.

2. Probleemstelling: [Con]tekst + [hyper]tekst = hypercontext

2.1 Tekst

Netwerken, databases en elektronische naslagwerken nemen plaats naast het drukwerk. Schattingen ramen de gedigitaliseerde informatie in 1985 op 3% van het totaal. Tien jaar later is dit 78%. Af en toe en waar nuttig verdringen zij het papier, maar niets wijst op de komst van een papierloos tijdperk.9 De actuele kennis- en informatieaangroei in het sociaal-agogisch werk maakt het hoe langer hoe moeilijker om de recente vakliteratuur, kennis en inzichten bij te houden. Getuige zijn de vragen naar bijscholingen omtrent internet en Ict en inhoudelijke vragen van cursisten zoals “Heb ik nu alles rond dit onderwerp?” en “Is de info relevant?” Het bijhouden en verwerken van relevante informatie voor de werkomgeving is niet vereenvoudigd omwille van verschillende redenen.

  1. Tijdens je zoekwerk kun je de informatiewaarde van een bericht niet altijd inschatten en een deel gegevens wordt oppervlakkig opgenomen. Als je ze nodig hebt, weet je niet meer dat je ze gelezen hebt of waar je ze moet terugvinden.
  2. De ontwikkelingen op internet gaan snel. Een doorsnee webpagina ‘leeft’ drie maanden, verandert daarna van inhoud of verdwijnt. Verdwenen sites zijn op te sporen via [http://www.voelspriet.nl/terugindetijd.htm].
  3. De vraag naar de info die je nodig zal hebben, is onvoorspelbaar. Vandaar dat informatiebeheer geld kost [bijhouden van boeken, losbladige naslagwerken volledig houden, invoeren van gegevens en updaten van het systeem…] en soms weinig rendeert.
  4. Niet alleen het effectief en doelgericht zoeken van precieze gegevens is complexer, ook de analyse is complexer.
  5. Verder jaagt Ict de kosten in de hoogte. Het valt niet te ontkennen dat een comfortabele computer kopen, die naar behoren installeren en onderhouden centen kost. Particuliere computers hebben de onhebbelijkheid om op ongelegen momenten stuk te gaan [de gemiddelde levensduur is drie jaar] en in organisaties en scholen duwt de informatica de reorganisatiekosten in de hoogte.
  6. Instellingen die op lange termijn willen denken ondervinden moeilijkheden omdat de levenscyclus van een informatiesysteem onvoorspelbaar is. Er is geen standaardisatie van hard- en software waardoor de digitale duurzaamheid niet in te schatten is. Papieren worden na enkele eeuwen ‘oud’ en ze worden bewaard in een archief. Elektronische publicaties van tien jaar oud zijn erg oud gezien de technische veroudering. De Koninklijke bibliotheek van Nederland beschikt over een lange termijn depot en toegang via emulatie [de pc gedraagt zich als een oudere collega en houdt bestanden leesbaar]. In België loopt het Davidproject [Digitale archivering in Vlaamse instellingen en diensten] met als doel voorschriften op te stellen voor de archivering van bestanden.
  7. Studenten, cliënten en collega’s zijn gewapend om uit te zoeken wat ze niet begrijpen. Hierdoor ontwikkelen ze kennis en anticiperen ze: in een lessituatie, in een hulpverleningssituatie, in een vergadering… Studenten, cliënten en collega’s met ijver worden wijsneuzen en ondermijnen kennis[monopolies]. Dit kan bedreigend overkomen voor kennisoverdragers. Info zoeken is simpel, juichen dataleveranciers. Dit is juist inzake snelheid, gemak en efficiëntie, de productietijd, de toegang, service, de inkrimping van archiefruimte, het aantal ingangen per document en de gegevensintegratie. Zie bijvoorbeeld [http://www.furl.net is een on linearchief dat webpagina’s bewaart als je niet de tijd hebt om ze in detail te bekijken. De pagina's die je hier opslaat kan je later zoeken, zelfs als ze niet meer op het net staan.
  8. Het feit dat informatie nooit zo omvangrijk én zo eenvoudig bereikbaar was, zorgt dat een overzicht van die informatie nog nooit zo onmogelijk was. In Wat doe je met internet en wat doet het internet met jou? omschrijft Eelko Huizingh internet als volgt. “Meer is er minder en minder is er meer. De informatieovervloed betekent dat je minder kan weten.” Omwille van die overvloed is selectie onmisbaar. Zijn model dat de veranderende informatievaardigheden [vaardigheden om info te verwerven én verwerken] schematisch maar vooral historisch in beeld brengt, is even verhelderend als confronterend.
Wie Beschikbare info Informatietaak Cruciaal is…
Mijn vader Weinig Uit het hoofd leren Weten
Ik Veel Leren vinden Toegang hebben
Mijn kinderen Overvloed Selecteren Waarderen

Veranderende informatievaardigheden. Naar: HUIZINGH E. Wat doe je met internet en wat doet internet met jou? Nieuwezijds, Amsterdam, 2001, p. 193.

Digital learners? Ja, steeds meer… het onderwijs en het werkveld spelen soms nog te traag in op deze evoluties.

2.2 Context: nieuwe vragen…

Informatisering en digitalisering grijpen plaats in een context waarbij trends zoals schaalvergroting, deregulering [het transparant maken van regelgeving], specialisering, samenwerkingsverbanden, mobiel werken, levenslang leren [scholing, omscholing, bijscholing] en een snel communicatietempo een rol spelen. Waar je verwacht dat het infoaanbod twijfels en onzekerheden verkleint, kan ze die vergroten. De informatie die met internet vrijkomt, confronteert je met de beperkingen van je bevattingsvermogen. Wie in het werkveld staat, heeft niet zelden het gevoel zich te verliezen in de om zich heen grijpende informatisering en digitalisering. Schrik of afweer van nieuwe technologieën en ingrijpende veranderingen kunnen een drempel zijn. Sommigen spreken van een cultuurschok.10 Sociaal-agogisch werkers zijn geen informatiespecialisten, vragen geen vracht documenten en werken graag met een beperkt aantal beheersbare bronnen. Informatiebronnen bij de buren worden niet gebruikt, of men weet niet dat ze bestaan. Bovendien wordt informatie niet langer kant en klaar, eenduidig en afgewerkt gepresenteerd. De combinatie van een netwerk en een pc maakt iedereen tot informatieconsument én -producent. Iedereen wordt uitgever en dikt het informatievolume aan. Niet alleen meer thema’s bereiken het publieke veld, identieke thema’s en dezelfde informatie worden op diverse locaties en op diverse dragers aangeboden. Overlappingen van kennisterreinen en versies komen veel voor. Verder varieert de info die je vond van ongecontroleerd tot verantwoord, van nonchalant tot wetenschappelijk. Maar hoe weet je hoe waardevol, hoe relevant of hoe juist de informatie is die voor je ligt? Is een boek veiliger en een kwaliteitsgarantie omdat er een uitgeversoordeel [anderen noemen het censuur] aan is verbonden? Wat is de rol van de uitgever in de toekomst?

2.3 Hypertekst: nieuwe mogelijkheden!

Behalve de informatiegroei creëert Ict zoekmogelijkheden die het kennisterrein ontsluiten. Wie meerdere zoekinstrumenten beheerst komt efficiënt tot resultaten. Het vervelende van internet is niet dat je er alle soorten info vindt. Het vervelende ligt in de gedachte dat je vooraf niet weet hoe lang je zoektocht zal duren én als je eenmaal over de info beschikt, je vaak niet weet waar of bij wie je de informatie gevonden hebt. Tijdens je zoektocht ontdek je andere, ook interessante locaties en vergeet je snel wat je zoekt. De hypergedachte speelt hier een rol. Boeken en tijdschriften zijn gebouwd met woordenrijen die niet aansluiten bij je denken. In een degelijke roman lost de auteur het probleem van het lineaire betoog op door parallelle handelingen in sequenties te beschrijven. Wetenschappers gebruiken inhoudstafels, registers, indices, voet- en eindnoten, bibliografieën, haakjes, voetnoten, verwijzingen naar paragrafen, tabellen, figuren, bijschriften,… Een Ict-hulpmiddel is de hyperidee [sinds 1985]. In cyberspace lees je een tekst niet van boven naar onder of ‘lineair’ maar deint ze langs alle kanten uit. Linken functioneren als associaties en in de plaats van lineaire en logische beschrijvingen ontstaat een mindmap. Het aantal verwijzingen in en tussen papieren documenten is groot, het aantal hyperlinks tussen elektronische documenten [tekst, geluid, foto’s, video, software, publicaties,…] is gigantisch.
Bovendien zijn papieren verwijzingen niet onmiddellijk ter beschikking, in tegenstelling tot veel hyperlinken. Dit wil niet zeggen dat hyperlinken altijd betekenisvol zijn. Ze wijzen op een deelcontext. De futuristische definitie die hypertekst omschrijft als de digitale interactie die alle culturele elementen van heden, verleden en toekomst combineert, bestaat niet. De netwerksocioloog Manuel Castells legt de hypertext niet buiten de mens, maar in de informatieverwerker. “It does not matter what the matrix is, but what do you want it to be. It exists in you” klinkt het in de cultfilm 'The Matrix'. Het idee is dat iedereen een document op een eigen wijze interpreteert en dat die interpretaties niet beschikbaar zijn voor anderen. Hypertext is dan het resultaat van je voorkennis om aan hypertext betekenis te geven en ze te recombineren. Niet dé hypertext ontstaat maar een hypertekst verpersoonlijkt. En hier ligt volgens Castells een toekomstig probleem. Als die individuele hypertekst als betekenisgever functioneert, duikt de vraag op ‘Hoe deel je betekenis?’ De gedeelde ervaring [je geest is niet geïsoleerd maar verbonden met de maatschappij] dreigt in de netwerkmaatschappij [die een structureel individualisme en uiteenlopende ervaringen creëert] verloren te gaan en stelt de vervreemding van subjectieverende hyperteksten in de plaats. Hoe groter je hypertext hoe groter de hindernissen om tot gemeenschappelijke betekenis te komen en hoe meer je terechtkomt in een “wereld van gebroken spiegels, gemaakt van niet-overdraagbare teksten.”11 Zijn er dan geen opties?

Optie één.

Kun je niet gewoon stellen “Laat me gerust?! Ik wil er niets mee te maken hebben?!” Helaas niet. Netwerken houden zich met ons bezig. De naam van de gemiddelde Belg steekt in ongeveer 600 databanken, telefoontaps en registraties van bewakingscamera’s zijn niet in kaart te brengen. Zo maakt de politie van chicago namen van hoerenlopers bekend, er zijn cursussen computerinbraak en fraude, er zijn regels of over de bewaarplicht van het mailverkeer enzovoort. Wie hier en nu wil leven, krijgt met BigBrothernetwerken in het kwadraat te maken. Daar kun je maar beter van op de hoogte zijn.

Optie twee.

Wat denk je van optie twee? Knowledge management is de idee dat kennis optimaal gedeeld en gebruikt kan worden. Die premisse is betwistbaar: kennis is persoonlijk en dus niet te managen. Nu, eerst even dit.

2.4 Hypercontext

Manuel Castells blijft in zijn boek vaag over de oplossingen om tot de gedeelde ervaring te komen. In 2006 werd vijf miljard gigabytes info toegevoegd aan het internet. Niemand kan dit verwerken, maar dat is niet erg. Vraag is hoeveel hiervan is nieuw of overlap met andere info, en kunnen we die informatie snel terugvinden. Immers, systematisch en nauwkeurig betekenis zoeken lijkt onmogelijk terwijl het ervaren wordt als snel en doeltreffend navigeren. Hypertext browsen en zoeken naar betekenis zijn niet per definitie tegengestelden. Wie weet wat waar [context] te zoeken, zoekt in een [persoonlijke] hypertekst. Dit houdt voorkennis in over wat je zoekt en hoe de werkelijkheid er zich rond organiseert. Als een gebruiker door cyberspace browst, gebruikt hij zijn of haar context bij de interpretatie. Het trekken van grenzen tussen realiteit en virtualiteit is hierbij onmogelijk. Castells stelde al in 1996 (!) dat beiden samenkomen in een nieuw, betekenisvol gegeven dat hij een ‘reële virtualiteit’ noemt. ‘Realiteit’ vereist immers altijd interpretatie en codering en is dus per definitie virtueel.

“Every cultural expression, from the worst tot the best, from the most elitist to the most popular, comes together in this digital universe that links up in a giant, a historical sypertext, past, present, and future manifestations of the communicative mind. By so doin, the construct a new symbolic environment. They make virtuality our reality.”12

Het begrip ‘hypercontext’ kan als verzameling teksten, contexten en hyperteksten de matixruimte lostrekken uit haar labyrintische individualiteit en geeft internet een vertellend, een verhalend en historisch kenmerk: een raadselachtig geheel waar taferelen geschieden, waar verhalen verteld worden, waar de verbeeldingskracht associërend beleefd wordt, een sociale technologie die toelaat samen te werken en het netwerkachtige bestaan te ondersteunen. Tenminste voor zover we het fenomeen van de digitale kloven onder controle krijgen. Daarover lees je in het volgende hoofdstuk.
De laatste cultuurpessimist die ik hier nog vermeld, is Andrew Keen. Lees het artikel op de site van Indymedia, een kritische persorganisatie. Nu het globale kader geschetst is, kijk je naar 'Wikis Waarheid' een Tegenlichtreportage (VPRO) op[https://www.impulscentrum.be/streaming]. Log in met je paswoord en kies uit de lijst video's onder het departement Ipsoc. Los tijdens de reportage deze vragen op.

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License